Executieve functies: Werkgeheugen

Als Jorrit en Marije hun wereldreis voorbereiden moeten ze veel informatie onthouden. Ze moeten rekening houden met heel veel regels, wetten en andere informatie. Hiervoor hebben ze hun werkgeheugen hard nodig.

Jorrit vond het altijd best lastig om aanwijzingen op te volgen en opdrachten te onthouden. Van te veel informatie raakte hij in de war en dan sloot hij zich af. Toen hij nog heel klein was en alles nog niet kon overzien kreeg hij dan zelfs wel eens een woede-aanval. Later ontdekte dat dat niet zo handig was en hij leerde zichzelf om aantekeningen te maken in zijn telefoon. Ook leerde hij zichzelf om het materiaal dat hij nodig had voor een taak op vaste plekken klaar te leggen, zodat hij niet steeds hoefde na te denken waar hij het de vorige keer had gelaten. Zo had hij allerlei trucjes bedacht om alles wat hij moest doen te kunnen onthouden.

Marije was er goed in om meerdere taken tegelijk uit te voeren en te onthouden wat daarvoor nodig was. Als kind wist ze precies met wie ze iedere dag ging spelen. Ze wist wanneer ze haar huiswerk in moest leveren en wanneer ze naar de sport moest. Ze leerde haar agenda goed bij te houden. Als er iets speciaals mee moest naar school maakte ze een notitiebriefje. Ze was goed in begrijpend lezen, doordat ze hoofd- en bijzaken goed kon onderscheiden. Dit kwam goed van pas toen ze later ging studeren.

Hoe hebben de ouders van Jorrit en Marije hun geleerd hun werkgeheugen goed te gebruiken?

Jorrit kreeg toen hij nog klein was altijd maar één instructie van zijn moeder. Complexe taken werden door zijn moeder opgesplitst in deeltaken. Bij het dekken van de tafel moest hij eerst alleen de borden op tafel zetten, dan de messen erbij leggen en tenslotte de vorken. Zijn moeder gaf hem die taken altijd in dezelfde volgorde. Na verloop van tijd kende Jorrit de volgorde en hoefde zijn moeder alleen nog maar te zeggen dat hij de tafel moest dekken.

Marije was goed in hoofdrekenen. Haar vader deed dan hoofdrekenspelletjes met haar en maakte de sommen steeds iets moeilijker. Ze moest dus steeds meer onthouden.

Jorrit en Marije mochten al heel jong  hun eigen koffer inpakken als ze op vakantie gingen. Als kleuter hoefden ze alleen maar te bedenken welk speelgoed ze mee wilden nemen. Later mochten ze ook zelf bedenken welke kleren, ondergoed en zwemkleding ze in hun koffer moesten doen. Hierdoor konden ze als puber zelfstandig hun koffer inpakken als ze op vakantie gingen met vrienden of op kamp met school.

Nu Jorrit en Marije op wereldreis gaan weten ze dat ze op hun werkgeheugen kunnen vertrouwen.